4.18 De kalief wordt in adoptie beperkt door de goddelijke regels
4.18 The Khaleefah is restricted in adoption by the divine rules
De kalief is beperkt in de adoptie van regels door de goddelijke voorschriften. Hij is er dus toe verboden een regel te adopteren die niet correct is afgeleid uit de goddelijke bewijzen. Hij is ook verplicht zich te beperken tot de regels die hij heeft geadopteerd, en tot de methode van zelfstandige rechtsvinding (Ijtihad) die hij heeft toegezegd. Daarom is het hem verboden een regel te adopteren die is afgeleid via een methode die in strijd is met de methode die hij heeft geadopteerd, noch om een bevel uit te vaardigen dat in strijd is met de regels die hij heeft geadopteerd.
The Khaleefah is restricted in the adoption by the divine rules. He is thus forbidden from adopting a rule that has not been correctly extracted from the divine evidences. He is also obliged to restrict himself to the rules He has adopted, and to the method of Ijtihad (extracting rules) He committed himself to. Therefore, He is forbidden from adopting a rule that has been extracted by a method contrary to the one He had adopted, nor to issue an order that contradicts the rules that He has adopted.
Er zijn hier twee kwesties die een nauwkeuriger onderzoek vereisen. De eerste is de beperking door de Ahkam sharia van de kalief in zijn adoptie van de Ahkam. Dit beperkt hem in wetgeving en het vaststellen van wetten, met de islamitische sharia. Het is hem verboden om een wet te adopteren die in strijd is met de sharia, want elke wet die in strijd is met de sharia wordt beschouwd als een wet van ongeloof (Kufr). Als hij wetende een regel adopteert die niet is afgeleid van de sharia, dan moet dit worden onderzocht. Als hij gelooft in de regel die hij heeft geadopteerd, dan zou hij een ongelovige worden. Als hij er niet in geloofde maar het overnam, in de veronderstelling dat het niet in strijd was met de islam, zoals de Khulafaa’ van Banu ‘Uthman deden in hun laatste dagen, dan zou het voor hem verboden (Haram) zijn om dit te doen, en zou hij geen ongelovige worden. Echter, als hij een waarschijnlijk bewijs heeft (Shuabhat Daleel), zoals het geval is voor degene die een wet stelt die geen bewijs heeft, maar enkel vanwege een belang (Maslahah) dat hij voor ogen heeft, verwijzend naar het principe van Al-Masalih Al Mursala, de ongedefinieerde belangen, of het principe van Maalat Al-Afa’al, de gevolgen van de daden, of het principe van Sadd Ath-Thara’i, het afwenden van de aanleiding, of hetgelijke. Als hij deze beschouwt als goddelijke principes en bewijzen, dan zou het voor hem niet verboden zijn en zou hij geen ongelovige worden, maar simpelweg een dwaling begaan. Dienovereenkomstig zouden alle moslims datgene wat hij heeft afgeleid als een goddelijke rechtsregel beschouwen, en zij zouden zich eraan moeten houden als de kalief het heeft geadopteerd. Dit komt doordat het een goddelijke rechtsregel is die een waarschijnlijk bewijs had, hoewel hij een dwaling maakte in het bewijs (Daleel), aangezien hij gelijk is aan degene die een dwaling maakt in de afleiding uit het bewijs (Istinbat). De kalief moet zichzelf echter beperken in de adoptie door de islamitische sharia, en hij zou beperkt moeten worden in de adoptie uit de sharia door de goddelijke rechtsregels die correct zijn afgeleid uit de sharia-bewijzen. Het bewijs hiervoor is: